Een moeilijk en omstreden onderwerp. Graag wil ik betogen met deze blog een ander licht te werpen op dit fenomeen. Deze blog is geïnspireerd op onderzoeken en bevindingen van Dick Swaab. Hij zet pedofilie in het daglicht van homoseksualiteit. Hiervan is gebleken dat bestraffen niet effectief is. Wat is pedofilie nu echt? Zijn er manieren om anders en beter om te gaan met pedofilie voor de mensen die deze voorkeur zo voelen? Hoe kunnen we hier als maatschappij beter mee om gaan? Ik wil stelling nemen in deze kwestie voor een menswaardiger manier van omgaan en tegemoet komen aan de pedofiele neiging door middel van gereguleerde animaties.

Naast Swaab (2010) is ook Seto (2009; 2012) van mening dat de ontwikkeling van de hersenen in de baarmoeder een cruciale invloed heeft op de bepaling van genderidentiteit en seksuele oriëntatie. Toch zijn niet alle wetenschappers het daar helemaal mee eens. Gerenommeerde hersenwetenschappers als Jordan-Young (2012), LeVay (2016) en Savic & Lindström (2008) menen dat het onwaarschijnlijk is dat alle homoseksuele mannen en vrouwen en pedofielen worden geboren met een ander brein door neurobiologische ontwikkelingsaspecten, waardoor hun seksuele voorkeur voor de rest van hun leven vastligt. Zij wijzen op de invloed van genen en op ontwikkelingen tijdens de opvoeding en levensloop als zijnde mede beïnvloedende factoren van pedofilie. Toch erkennen ook zij de belangrijke rol van de hersenontwikkeling bij het ontstaan van deze seksuele voorkeur wel. Het gegeven dat seksuele differentiatie hoofdzakelijk aangeboren is heeft implicaties voor de behandeling van pedofilie, zo menen een aantal auteurs (Swaab, 2010; Van Tongeren, 2012; Seto; 2009), omdat hiermee de geaardheid vast zou liggen en niet af te leren zou zijn. Om die reden wordt door hen gepleit voor alternatieve behandelmethoden, die gericht zijn op het kanaliseren van pedofiele seksuele opwinding en het onder controle houden van de seksuele driften, zodat het niet tot een misdrijf komt. Volgens hen is impulscontrole van belang. Immers, bij heteromannen wordt het ook als een misdrijf gezien als zij hun driften niet in bedwang kunnen houden bij vrouwen (Swaab, 2010; Seto, 2009; 2012).

Indien pedofilie niet af te leren zou zijn, omdat dit voor een groot deel beïnvloedt wordt door de hersenen, lijkt het relevant om te zoeken naar behandelwijzen, die gericht zijn op acceptatie, het in bedwang houden en ermee leren omgaan, waardoor een escalatie van hun behoeften en kindermisbruik voorkomen kunnen worden. omdat ingegaan wordt op de herseninvloed op de geaardheid en anderzijds wordt gekeken naar het fysieke aspect, omdat gezocht wordt naar manieren om de pedofiele seksuele driften onder controle te houden en te kanaliseren op verantwoorde en menselijke wijze. Swaab (2010) beweert dat alle seksuele geaardheden te verklaren zijn door vroege neurobiologische ontwikkeling factoren in de hersenen. De vroege ontwikkelingsfactoren zouden ervoor zorgen dat “de hersenen een atypisch ontwikkelingstraject volgen”, waardoor vroeg in de ontwikkeling structurele hersenverschillen ontstaan, die wijzen op pedofilie. Zo zouden bij pedofielen in de Bed Nucleus van de Stria Terminalis, de hypothalamus, en de amygdala minder zenuwcellen (grijze stof) worden aangetroffen (Swaab, 2010). Swaab ziet tevens aanwijzingen voor een genetische factor, omdat bij eerstegraads familieleden een hoog percentage (18%) seksueel deviant gedrag wordt gevonden. Seto (2007) meent dat de erfelijke factor niet perse hoeft te duiden op pedofilie en ook kan samen hangen met een te extreme aantrekking tot jeugdigheid als gevolg van een psychologische stoornis, zoals een psychose of een gebrek aan inleving, zo stelt ook Dominique (2017).

Pas recentelijk is het geaccepteerd binnen de wetenschap dat pedofilie geen psychiatrische stoornis is maar een seksuele oriëntatie (Seto, 2012). Naast Swaab (2010) bestempelen Seto (2009; 2012), Hall & Hall (2009), Van Es (2016) en Van Tongeren (2012) pedofilie als een aparte geaardheid die vastligt. Dat heeft volgens hen belangrijke consequenties voor de behandeling ervan. Aangezien een geaardheid niet af te leren is, zouden behandelingen zich specifieker moeten richten op het verminderen van pedofiele gevoelens en het onder controle houden van de seksuele driften (Seto, 2009; Hall & Hall, 2009; Swaab, 2010). Hoewel het nog onvoldoende bewezen is, stellen Diamond, Jozifkova & Weiss (2011) dat geanimeerde kinderporno als aanvullende methode uitkomst kan bieden. Deze vorm van pornografie zou kinderen geen kwaad doen en pedofielen voorzien in een behoefte, waarmee voorkomen wordt dat zij kinderen lastigvallen met hun driften. Deze aanname heeft geleid tot de volgende stelling, die centraal staat in het betoog: “Geanimeerde virtuele kinderporno is een adequate aanvullende behandelmethode zijn bij cliënten met pedofilie.”

Overigens is het belangrijk om aan te merken, dat pedofilie niet hetzelfde is als pedoseksueel gedrag. Iemand met een seksuele voorkeur voor kinderen hoeft geen seksueel contact met kinderen te hebben. Pedoseksuele misdrijven, zoals misbruik in combinatie met productie en verspreiding van kinderporno, worden doorgaans gepleegd door antisociale persoonlijkheden (Van Lunsen, 2000). Voor de goede orde dient gerealiseerd te worden dat dit betoog gaat over pedofilie en niet over pedoseksueel gedrag

Geschiedenis pedofilie

“Seksueel contact met een volwassene kan voor een kind een positieve ervaring zijn.”, zo stelde Theo Sandfort (1987) in zijn boek ‘Jongens over vriendschap en seks met mannen’. Dit citaat lijkt averechts te staan op de huidige visie op pedofilie, waarin seks met kinderen per definitie als misbruik wordt gezien. In de huidige tijd lijkt het ondenkbaar dat er tijden zijn geweest dat hier geen taboe op rustte. Dat is echter allerminst waar. Zo was een relatie (waaronder seks) tussen kinderen en volwassenen, pederastie genaamd, in de Griekse en Romeinse oudheid normaal. Het had een opvoedkundig doel: het bijbrengen van morele en culturele waarden en kennis maken met seksuele verscheidenheid. Daarnaast had het ook een rituele functie. Door de vroege Christenen werd hiertegen fel geageerd, omdat zij zich tegen alles verzetten dat te maken had met de door hen verafschuwde heidense cultuur. Homofilie en pedofilie werden als een ziekte beschouwd en strafbaar. Zowel binnen de Christelijke, de Joodse als de Islamitische traditie werd deze opvatting overgenomen (Laes, 2012). Na eeuwen van onderdrukking van homoseksuelen en pedofielen leek in ons land (en in andere West-Europese landen) in de jaren ’70 vrijer over afwijkende seksuele gedragingen gedacht te worden. Dit was het gevolg van de seksuele revolutie, die vele seksuele taboes doorbrak en waardoor seksualiteit werd geliberaliseerd, wat leidde tot acceptatie van afwijkend seksueel gedrag, liberalisatie van abortus, anticonceptie, seks voor het huwelijk, legalisering van prostitutie en pornografie. Hierdoor werd een vrije visie ontwikkeld op pedofilie en door wetenschappers opgeroepen tot acceptatie (McLaren, 1999). Geopperd werd om kinderporno en seks met jongeren vanaf twaalf jaar te legaliseren. Daarbij werd wel een onderscheid gemaakt tussen liefdevolle, wederkerige pedofiele relaties en seksuele relaties tussen volwassenen en kinderen waarbij machtsmisbruik voorkomt. Dit is er nooit van gekomen: wetenschappers stonden weliswaar welwillend tegenover pedofielen, maar de maatschappij niet. Onder druk van de opkomende discussie over seksueel misbruik en geweld keerde het tij zich tegen pedofielen, met ingrijpende gevolgen voor ideeën over hulpverlening en bestraffing, waardoor pedofilie in de jaren ’80 en ‘90 weer werd gezien als een ziekte (Pekelder, 2006).

Kenmerken en ontstaan pedofilie

Pedofilie wordt in de DSM-V van de American Psychiatric Association (APA) (2013) beschouwd als een parafilie, oftewel een seksuele afwijking. Iemand heeft een pedofiele stoornis als hij gedurende een periode van minstens zes maanden, een seksuele opwinding voelt voor kinderen tot 13 jaar. Dat uit zich in fantasieën, neigingen en gedragingen, die in significante mate lijden en/of beperkingen veroorzaken in het sociaal of beroepsmatig functioneren. De betrokkene moet minstens 16 jaar zijn en meer dan vijf jaar ouder dan de kinderen (APA, 2013). De schattingen van de prevalentie van pedofilie lopen uiteen. Seto (2009) schat dat ongeveer 1% tot 3% van de mannelijke bevolking zou lijden aan een psychiatrische pedofiliediagnose, terwijl Ahlers et al. (2011) uitkomen op 9,5% van de mannen en 3,5% van de vrouwen en Dombert et al. (2016) aannemen dat circa 4% van de mannen seksuele fantasieën over prepubertaire kinderen zou hebben. Behalve de eerdergenoemde wetenschappers als Swaab en Seto stellen ook andere wetenschappers dat pedofilie het gevolg is van een ontwikkelingsstoornis die begonnen is voor de geboorte of in de kinderjaren. Ward & Beech (2006) wijzen op een combinatie van neurobiologische factoren, psychologische en sociale factoren. Daarbij zouden verwondingen aan het hoofd in de kindertijd bij pedofielen vaker voorkomen en zou sprake zijn van structurele afwijkingen in gebieden in de hersenen die met de seksuele ontwikkeling te maken. Blanchard et al. (2006) stellen dat pedofilie het gevolg zou kunnen zijn van een pre- en/of perinatale neurologische ontwikkelingsstoornis, ook wel aangeduid met het ‘Developmental Instability Model’. Cantor et al. (2007) wijzen op diverse neurobiologische tekorten bij pedofiele zedendelinquenten. In eerder genoemd onderzoek van Swaab (2010) en Schilz (2007) werden bij pedoseksuele zedendelinquenten afwijkingen gevonden in voor de seksuele ontwikkeling cruciale gebieden van de hersenen. Kogel (2008) stelt dat de vroege hersenontwikkeling van groot belang is bij het ontstaan van pedofilie, maar erkent daarnaast dat de prevalentie van hersenletsel een belangrijke rol speelt. Blanchard et al. (2006) toonden ook aan dat pedofielen vaker een lagere intelligentie hebben en vaker blijven zitten of speciaal onderwijs volgen. Seto (2012) en Seto, Reeves & Jung (2010) vonden aanwijzingen dat pedofiele interesse ook op latere leeftijd kan ontstaan, bijvoorbeeld door het kijken van kinderporno, maar volgens Swaab (2010) zou dit niet mogelijk zijn, omdat de seksuele voorkeur al vaststaat.

Behandelmethoden en alternatieven: geanimeerde kinderporno

De huidige behandelmethoden bestaan uit cognitieve gedragstherapie, al of niet in combinatie met farmacologische behandeling. Ze zijn gericht op terugvalpreventie en het aanleren van zelfbeheersing (McGrath, Cumming & Burchard, 2003), empathiebevordering, het terugdringen van seksuele preoccupatie, delictscenario, stress- en woedemanagement en bevordering van copingsvaardigheden (Kafka, 2001). Dit alles om te voorkomen dat pedofielen terugvallen in hun oude gedrag. Veel aandacht wordt gericht op de factoren die in het hier en nu delictgedrag oproepen en in stand houden. Het behandelingsmodel omvat de thema’s ontkennen en minimaliseren, cognitieve vertekening, deviante fantasieën, empathie met het slachtoffer, sociale competentie en terugvalpreventie (Frenken & van Beek, 1998). Farmacologische interventies kunnen hormonale
(chemische castratie) of psychotrope medicatie inhouden, dat zich richt op de serotoninespiegel in de hersenen, die een pedofiel vatbaarder maakt voor sociaal meer aanvaardbare seksualiteitsbeleving (Bradford, 2001). Een dergelijke behandeling gaat echter altijd gepaard met individuele cognitieve gedragstherapie. Daarbij wordt soms ook groepstherapie ingezet als een aanvulling. Vanuit interacties die plaatsvinden in de context van de groep kan verandering worden gebracht in het afwijkende seksuele gedrag van de groepsleden (Vroege, Nicolaï & van de Wiel, 2001). Het voordeel van groepstherapie is de onderlinge sociale steun, waardoor moeilijk bespreekbare onderwerpen niet worden afgekeurd en mensen van elkaar kunnen leren.

Volgens Gijs (1998) is alleen bij cognitief gedragstherapeutische en hormonale interventies aangetoond dat ze recidive significant reduceren. Dit betreft onderzoek naar onwettelijk deviant en seksueel gedrag dat is doorgetrokken naar parafilieën. Bij andere behandelingsvormen, zoals psychoanalyse lijkt van een lichte toename in recidive sprake te zijn (Lösel & Schmucker, 2005). Swaab (2010) benadrukt het belang van impulscontrole, omdat het middel de seksuele oriëntatie niet verandert. Hij pleit ervoor dat kennis moet worden vergaard om in de behandelmethoden te
focussen op het reduceren van de risico’s op kindermisbruik. Van Es (2016) is het daarmee eens en suggereert op basis van een recente literatuur review dat impulscontrole het hoogst haalbare is, omdat pedofilie niet genezen kan worden. Daarbij zou virtuele kinderporno uitkomst kunnen bieden, want diverse onderzoeken (Kutchinsky, 1973; Diamond et al., 2011) tonen aan dat na het toestaan van het downloaden van geanimeerde kinderporno het aantal kinderen dat seksueel misbruikt wordt, structureel verlaagt. Een onderzoek van Diamond, Jozifkova en Weiss, (2011) uit voormalig Tsjecho-Slowakije uit 1989 laat zien dat impulsen in geen geval verergeren door kinderporno. Het verbod op pornobezit werd na de val van het communistische regime opgeheven, waarna het aantal kindermisbruikgevallen van 2000 per jaar naar 1500 daalde. Een verband tussen de twee is nooit aangetoond, maar dit zou wel wijzen op het feit dat kinderporno in ieder geval niet aanzet tot méér misbruik. Grootschalig onderzoek van Diamond, Jozifkova en Weiss (2007) naar de effecten van het kijken naar kinderporno in onder andere Denemarken en Japan toonde aan dat frequent kinderpornogebruik leidt tot een afname van zedendelicten.

Virtuele geanimeerde pornografie voorziet de pedofielen in een behoefte en voorkomt dat zij kinderen lastigvallen met hun driften (Van Es, 2016). Onderzoek van Diamond et al. (2011) naar de effecten van het kijken naar tekenfilms met kinderen die seks hebben onder andere in Denemarken en Japan toonden aan dat frequent kinderpornogebruik leidt tot een afname van zedendelicten. Dat is precies andersom dan meestal wordt gedacht, namelijk dat deze filmpjes een aanjagende werking heeft wat leidt tot dadendrang en vergrijp. Hoewel deze uitkomsten een goed argument lijken voor het inzetten van kinderporno in de behandeling van pedofielen, druist kinderporno in tegen alle ethische waarden, omdat pedofilie nu juist juridisch gezien verboden is, om het kind te beschermen. Om die reden willen een aantal wetenschappers de mogelijkheden gaan verkennen van virtuele geanimeerde kinderporno. Onder virtuele pornografie worden afbeeldingen verstaan die niet op echte kinderen zijn gebaseerd, maar wel die indruk wekken. Muller, Van der Leun, Van Moerings, & Van Calster (2010) wijzen in dat kader voor het opheffen van het verbod op virtuele kinderporno, dat sinds 2002 van kracht is, zodat onderzocht kan worden of dit echt werkt. Daar sluit Swaab (2010) bij aan. Hij meent dat stigmatisering een averechts effect heeft en juist ingezet moet worden op het onderzoeken van manieren die pedofielen kunnen helpen om hun gevoelens te managen. Daarbij zou de mogelijkheid van geanimeerde kinderporno verder verkend moeten worden. Dit kan volgens hem helpen om mensen in een vroeg stadium de kans te bieden om het aan te durven om in contact te komen met hun gevoelens. Zo kunnen zij daar controle over krijgen en het ‘managen’ (Swaab, 2010). Op dit moment komt dergelijk onderzoek nog niet van de grond, omdat virtuele kinderporno verboden is. Het argument van de politiek om dit soort afbeeldingen strafbaar te stellen, is dat ze schade kunnen veroorzaken omdat ze misbruik suggereren;. De wet is gemaakt als reactie op de praktijk dat mensen bestaand foto- en filmmateriaal bewerken, waardoor beelden gemaakt worden. Alle vraag die de productie van kinderporno, en daarmee misbruik van kinderen, (indirect) stimuleert, is strafbaar. Daarmee stagneert het onderzoek naar impulscontrole en de rol daarin van virtuele kinderporno.

Dat virtuele kinderporno zou leiden tot pedo-seksualiteit en misbruik van kinderen is een veel gehoorde mening, maar dat is geen feit. Wanneer de parallel wordt doorgetrokken in die mening zouden schietspelletjes dan dus ook leiden tot moord? Zoals gezegd is gebleken dat virtuele kinderporno niet extra aanzet tot vergrijp. De overtuiging dat het oplossingsgericht inzetten van virtuele kinderporno zelfs werkt tegen seksueel kindermisbruik verdient een warme aanbeveling om nader en stelliger onderzocht te worden zodat één en ander met meer feiten onderbouwd kan worden. Dat virtuele kinderporno ‘ondenkbaar’ is in Nederland is een kwalijke zaak. Geanimeerde kinderporno als therapie inzetten die oplossingsgericht is, is het punt wat een warme aanbeveling verdient om nader en stelliger te onderzoeken en met feiten te onderbouwen.

Conclusie

Nu ik alle argumenten voor en tegen de stelling dat animatie met betrekking tot pedofilie goed kan werken als methode heb afgewogen, kom ik tot de volgende conclusies:

  • Aangezien in hoofdzaak is neurobiologisch aangetoond dat pedofilie net als homoseksualiteit aangeboren is en niet te veranderen is gaat pedofilie met straffen, publieke afwijzing of medicatie niet verholpen worden.
  • Pedofilie is, net als bij homoseksualiteit, lange tijd gezien als een ziekte die te genezen is. Ofschoon pedofilie het risico met zich meebrengt dat kinderen geschaad worden, is het zaak ons erbij neer te leggen dat er geen genezing bestaat en daarom naar alternatieve behandeling gekeken moet worden om misbruik te voorkomen.
  • Als pedofilie, niet te verwarren met een pedoseksueel misdrijf, meer geaccepteerd wordt hoeven deze mensen zich niet meer te verstoppen. Ze kunnen dan betere begeleiding krijgen. Dit gegeven alleen al kan het misbruik verminderen.
  • Moreel gezien is het gegeven om naar geanimeerde kinderporno te kijken niet perse verwerpelijk. Zeker in vergelijking tot het kijken naar games waarin mensen vermoord worden, wat wel toegestaan wordt, is dat discutabel te noemen. Het is van den gekke dat virtuele moord, verkrachting of andere virtuele misdrijven zijn toegestaan, terwijl virtuele kinderporno verboden zou moeten worden. Gebleken is dat pedofielen die tegen de grens aanzitten om tot misbruik over te gaan, ondanks dat ze weten dat dit verkeerd is, gebaat zijn bij deze virtuele kinderporno. (Daling kindermisbruikcijfers in Tsjechië na legaliseren porno).
  • De meeste kindermisbruikers zijn geen pedofielen. Er is eerder sprake van ‘gelegenheidsvergrijpers’ die hun impulsen niet onder controle hebben door bijvoorbeeld een seksverslaving.
  • Methoden zouden meer de nadruk moeten leggen op impulscontrole en kanalisering van behoeften en driften door bijvoorbeeld virtuele geanimeerde kinderporno.
  • Nader onderzoek is nodig naar de effecten van virtuele geanimeerde kinderporno als begeleidingsmethode voor pedofilie, zodat feiten de discussie en de beeldvorming bepalen in plaats van tendensen.